Mijn mama heeft drie ogen en papa mist een neus
Ik ben Mon,
en hier komt mijn verhaal.
Mijn mama ziet veel,
zij heeft drie ogen.
Dat is er eentje teveel.
Mijn vader mist een neus.
los ik bij hem een scheet,
dan is er niemand die het weet.
Dat is heel speciaal.
Mijn papa is als een vriendelijke reus.
Hij helpt me klimmen in de perelaar,
we spelen de hele dag.
Mijn mama maakt gebakjes klaar.
De mensen in de stad
die zijn gemeen.
‘Jullie zijn raar!’ roepen ze dan.
‘Ga weg, ga heen!’
Daar word ik droevig van.
Op zekere dag komt daar
aan de deur gebeld,
de Heks van Huize Goedbedoeld.
‘Je kent de regels’, vertelt ze mama.
‘Ik heb mijn orders’, legt ze papa uit.
‘Jullie zijn raar.’
‘Het kind moet mee.’
‘Alsjeblieft’, smeekt mama.
‘Doe dit niet’, schreeuwt papa.
Maar daar heeft de heks
geen oren naar.
In Huize Goedbedoeld
vraagt de Heks:
‘Vertel me hoe het voelt’.
Ze geeft me snacks,
kleren en schoenen,
lakens voor mijn nieuwe bed,
en ze leert me boenen.
Het is geen pret,
wat ze ook doet.
Beetje per beetje
verlies ik de moed.
Ik zeg: ‘Ik mis mama.’
Ik zeg: ‘Ik mis papa.’
Maar luisteren doet ze niet.
‘Het is hier beter.’
antwoord ze dan,
en legt nog een ei op de pan.
Mijn tranen, die ziet ze niet.
Na enige weken,
de tel ben ik kwijt,
mis ik thuis nog steeds.
De Heks blijft maar preken,
‘Je bent hier reeds
voor lange tijd,
je past je niet aan,
en blijft maar zeuren.
Maar dat gaat nu niet meer gebeuren.
Voor jouw verder bestaan,
moeten we je aanpassen.’
Ik krijg een hoed voor op mijn oog,
een plastic neus op mijn gezicht,
het is echt geen zicht,
maar heel zeker verplicht.
‘Zo, ga nu maar naar de stad,
en speel daar wat.’
Ik ga naar het speelplein,
zoveel kinderen, wat fijn!
We schommelen en glijden,
maar ik kan het niet vermijden,
mijn nepneus valt er af,
de hoed vliegt weg.
Ik knipoog goedgezind,
maar dan gaat er een kind
gillen en roepen:
‘Jij monster, ga weg!’
Wat heb ik een pech.
De Heks is kwaad.
‘Ik geef je straf.’
en
‘Je zal niet meer snoepen.’
Ik weet me geen raad.
Ik ga door het lint.
Ik loop, ik ren, ik sprint,
Ik ben vreselijk moe,
maar waar moet ik naartoe?
Uitgeput zet ik me neer
op een houten bank.
Mijn drie ogen vallen al dicht.
Plots staat daar een meneer,
‘Hoe komt het dat jij hier ligt?’
Zijn stem heeft een zachte klank.
Ik vertel over mijn mama,
ik vertel over mijn papa,
ik vertel over de Heks van Huize Goedbedoeld.
Hij luistert en knikt,
‘Jij moet naar huis,
voor het teveel afkoelt,’
en zet me af bij mijn ouders’ thuis.
‘Als burgemeester zeg ik u,
men vergist zich continu.’
Hoor ik de man zeggen.
Terwijl hij het zit uit te leggen,
knuffel ik mezelf warm
onder mama’s arm.
‘Huize Goedbedoeld
is niet voor kinderen als Mon.
Mon heeft een warme thuis,
en hoort niet in dat huis.
Jullie hebben je vast vreselijk gevoeld.’
Mijn papa knikt,
mijn mama knikt,
en ik knik ook.
‘Hoe je ook leeft, wie je ook kent,
in mijn stad mag je zijn wie jij bent.’
De volgende dag,
word ik wakker met een lach.
De burgemeester spreekt de stad toe
en geef duidelijk te kennen,
dat je aan anders zijn
gewoon moet wennen.
Geen mens, groot of klein,
mag worden uitgesloten,
op risico te worden opgesloten,
want speciaal,
dat zijn we allemaal.
(c) Sara Gevers
Nadien
Nadien
zullen onze benen
verstrengeld blijven.
Jouw armen
om me heen.
Twee voldane lijven
versmolten tot één.
Nadien
zal ik je
nog steeds voelen,
je adem,
onze geuren.
Spijt en woelen
niet te bespeuren.
Nadien, dat
willen we graag,
met elkaar.
Verlangen is
niet te stoppen, dus
begin al maar
met een kus.
(c) Sara Gevers
Haar naam
Winnende gedicht gedichtendag 2024
Ze droeg haar naam met waardigheid,
haar kinderen met trots.
En als er ook wat scheelde,
dan stond zij als een rots.
Ze leefde vele levens
als dochter en als vrouw,
ze leefde uitbundig,
gedreven door berouw.
Ze had meer willen doen,
ze had meer willen geven.
Maar niks was ooit simpel
in dit genomen leven.
Toen zij nog niet geboren,
liggend in moeders’ schoot,
werd ter bescherming
een man gedood.
Ze voerden oorlog,
dat was niet haar fout.
ze vochten om olie
en gas en goud.
Toch droeg ze dit mee,
als een rugzak gebonden.
Het leven van haar ouders,
waren haar wonden.
Zij droegen hun naam
met waardigheid en trots,
vochten voor hun bestaan
en stierven zo plots.
Nu kan zij niet anders
dan haar ouders te eren
Wat anderen ook zeggen,
wat anderen ook beweren.
Vandaag ziet zij
de komst van het front.
Ze houdt haar kinderen
plat op de grond.
Ze roept en schreeuwt
en vloekt in haar taal.
Ze slaat en ze vecht.
Het is erg brutaal.
Eens de stilte terug,
de vijand doorgelopen,
onder haar lichaam vandaan
een dochter gekropen.
Ze weent heel stil
haar moeder levenloos.
Ze is verdrietig
en ook heel boos.
Nu draagt zij hun naam,
haar kinderen met trots.
En als er iets scheelt,
dan staat zij als een rots.
(c) Sara Gevers
Stiekem
Met de kleren aan in bed,
wachten tot ze slapen gaan.
Sluipend naar de pret,
doe het licht niet aan.
Discolicht en zoete dranken,
kunnen je geweten sussen.
Achterop de banken,
je vriendinnetje kussen.
En daarna, muisstil,
naar huis gestapt.
Maar alles slaat op tilt.
Oeps, je bent betrapt.
(c) Sara Gevers